{Kweek-weetje} Utrechtse Sint Jans ui

Posted on 29 juni 2015

‘Wat doet die bos uien aan dat touw daar?’
vroeg één van onze bezoekers, wijzend op de drogende Sint Jans ui.
Dat leek ons een leuke aanleiding om hier ook iets meer te vertellen over één van de meest speciale en meest Utrechtse groente die we hier kweken.

De Sint Jans ui is een ui die enige nostalgie aan de Koningsweg doet opwaaien.
Kees Agterberg (70) – vierde in generatie van de tuindersfamilie Agterberg- en zijn zoon Marcel, onze leermeesters bij De Kas Eet & Kweekplek, vertelden ons al vaker vol trots dat zelfs Prins Bernhard speciaal naar Utrecht kwam voor de Sint Jans ui.
De naslagwerken werden er op na geslagen en uit het archief van de oude tuinderij komen een paar mooie krantenartikelen over Kees en zijn Sint Jans ui.

Een klein stukje Utrechtse landbouw geschiedenis:
In de stadstuinen van Utrecht ontwikkelde zich al in de Middeleeuwen een gevarieerde groente teelt voor de lokale markt. Later verhuisden de tuinders wegens ruimtegebrek naar de rand van de stad, met name de Oostkant, het zogeheten Koningsdal, vernoemd naar het verblijf dat Napoleon daar had.
Ze boden hun waren aan op de groenmarkt. Sommigen specialiseerden zich in de teelt van groentezaad, dat werd verhandeld op de Mariaplaats.
De tuinbouw van Utrecht kenmerkte zich door de grote verscheidenheid aan gewassen, in tegenstelling tot de gespecialiseerde tuinbouw in Noord-Holland en het Westland.

Wat maakt de Sint Jans ui zo bijzonder?
In eerste plaats vormt het gewas wel bloemen, maar geen zaad. Als je de ui wilt kweken zul je het  via de jonge bollen moeten vermeerderen door de tenen van elkaar los te trekken en deze opnieuw te poten, net als bij knoflook. Daarnaast heeft de Sint Jans ui een grote weerstand tegen kou en is het gewas winterhard. Dat wil zeggen dat het in de winter gewoon buiten kan staan, ook al vriest het 25 graden: ze doen als het ware een winterslaapje.
Ten derde is het nodig de bollen al vóór half augustus weer te planten, omdat er anders geen nieuwe bollen gevormd kunnen worden die het volgend jaar kunnen worden geoogst. Andere uien worden pas gezaaid of geplant ná de winter.

Waarom is het dan een zeldzame ui?
De ui werd al eeuwen geteeld, maar alléén in en rondom Utrecht. Er bestaat geen ‘gewone Sint Jans-ui’, alleen de Utrechtse.
Met de opkomst van de kassen werd het makkelijker voor tuinders om eerder in het jaar uien en sjalotten te kweken, waardoor de Sint Jans ui zijn voorsprong als ‘vroeg-oogstbare-ui’ verloor.
Omdat de prijs van sjalotten zo laag was, werd het commercieel niet meer aantrekkelijk om de Sint-Jansui te kweken, waardoor een hoop tuinders hier mee gestopt zijn.
Je kunt de Sint-Jans ui niet eindeloos bewaren, in tegenstelling tot zaad, wat wel heel lang houdbaar is. Als de plant na het drogen dus niet in augustus in de grond wordt gezet om te vermeerderen kun je hem niet meer gebruiken. (Behalve dan om op te eten). Langzaam werd het daardoor een ‘uitstervend ras’.

Waarom heet hij Sint Jan?
Daar gaan verschillende verhalen de ronde over, maar de meest waarschijnlijke is dat de ui zijn naam dankt aan de naamdag van Sint Jan (24 juni): de laatste dag dat de uien uit de grond moeten, omdat ze anders bitter worden. Iets dat tevens de ui bijzonder maakt, omdat de meeste uien pas later de grond uit gaan.

Gebruik:
De Sint Jans ui heeft een vrij pittige smaak, ergens tussen ui en knoflook in. Van oudsher wordt de ui gebruikt in de sla, net als gewone sjalotten. Ook het blad of look kan worden gegeten. Het loof kan dienen als garnituur in salades, buffetten en bij vlees. Ook gaat het rauwe Sint Jansuitje goed samen met een glaasje jenever.

Op dit moment verkopen we de Sint Jans ui niet, omdat we de uien die we op dit moment nog hebben graag willen gebruiken om te vermeerderen om dit speciale ras te behouden.